Leesherinnering aan Kluitman

Leesherinnering aan de boeken van Kluitman

Uitgeverij Kluitman bestond in 2014 150 jaar. Naar aanleiding van de jubileumslogan: Kluitman-boeken: wie is er niet mee opgegroeid! schreven bekende auteurs en Nederlanders hun leesherinnering aan Kluitman boeken.

Leesherinnering Maria Peters en Dave Schram
Onze kwajongensdagen liggen achter ons en liggen voor ons! Wij zijn eigenlijk geen dag ouder geworden!
ACHTER ONS:
Eind jaren negentig hadden wij contact met de omroep over de top 100 van mooiste jeugdboeken aller tijden. In deze lijst, ik weet niet meer op welke plaats, stond het boek Kruimeltje. Was dat te verfilmen?
De jaren twintig, auto’s in de jaren twintig, kleding in de jaren twintig, aankleding in de jaren twintig. Zelfs New York in de jaren twintig! Hoe gaan wij dat doen? En als wij het voor elkaar hebben, wie wil dan de film zien? Zo veel vragen!
Toen kwam het volgende probleem: Rotterdam, jaren twintig. Rotterdam zag er na de Tweede Wereldoorlog totaal anders uit dan voor de Tweede2e Wereldoorlog. En wij hebben het hier niet over hoe de vuilnisbakken eruitzagen, maar echt alles! Vooral het stadsgezicht was probleem nummer één.
Maar hoe groter de problemen en vragen, hoe meer zin wij kregen om deze uitdaging aan te gaan! Ik weet nog goed ons eerste gesprek met meneer Stanco, de grote baas bij Kluitman! Wij hadden afgesproken op ons kantoor aan de Prinsengracht. Piero Stanco kwam binnen en het klikte meteen. Een gedistingeerde, rustige, vriendelijke meneer schudde ons de hand. Twee uur hebben wij gesproken over ons plan. En tijdens deze bespreking gebeurde er iets bijzonders. Alle problemen die we voorzagen, kregen ruim de aandacht. Op gepassioneerde wijze sprak Maria over het plan hoe zij Kruimeltje wilde gaan verfilmen en elke minuut van het gesprek zagen wij de mondhoeken van Piero omhooggaan! Het was een soort ‘liefde op het eerste gezicht’, want gezamenlijk kwamen wij tot alle antwoorden op onze vragen. Toen Piero vertrok, was één ding duidelijk: wij wilden deze film maken en wilden Piero niet teleurstellen in het vertrouwen dat wij kregen. De film was enorm duur om te maken. In die tijd (1999) was het een van de duurste Nederlandse producties ooit in Nederland gemaakt!
Het werd een co-productie met het buitenland, en de financiering en productie namen behoorlijk veel tijd in beslag. Rotterdam werd met ‘Kruimeltje’ nieuw leven ingeblazen, omdat Maria uit de oude foto’s van Rotterdam heel precies naar de locaties heeft laten zoeken.
Het gevolg? In 19 verschillende steden werd ‘Kruimeltje’ opgenomen alsof het één stad was: ROTTERDAM. De film werd een ongekend succes. Een van de grootste films van Nederland voor die jaren! Mede door de goede samenwerking tussen Shooting Star, Disney en Kluitman. Kluitman bracht een prachtige filmeditie van het boek uit met fullcolourfoto’s. Iets wat bijna nooit was voorgekomen! Met heel veel warmte en plezier denken wij terug aan onze eerste samenwerking met Kluitman,hetgeen wij na het succes van ‘Kruimeltje met heel veel succes prolongeerden met de verfilmingen van ‘Pietje Bell’, en ‘Pietje Bell. De jacht op de tsarenkroon’. Nog steeds staan de films in de top 20 van best bezochte Nederlandse bioscoopfilms aller tijden!
VOOR ONS:
Maar er ligt ook een VOOR ONS, want de afgelopen maanden hebben wij weer met Piero om de tafel gezeten om nogmaals een Pietje Bell-film te gaan maken! Pietje Bell gaat vliegen en Pietje Bell gaat naar Amerika zijn de twee verhalen die nu op de ‘filmische’ tekentafel liggen. Die moeten leiden tot de blauwdruk voor een spiksplinternieuw filmscenario. Het is misschien wel een primeur, want Piero en wij wachten nog met een persbericht tot het treatment af is, maar de synopsis is veelbelovend en dus daarom toch stiekem hier de primeur: in alle stilte werken wij aan een prachtig nieuw scenario van Pietje Bell!
Wij feliciteren uitgeverij Kluitman met haar jubileum en kijken uit naar onze nieuwe productie.
Maria Peters & Dave Schram

 

Leesherinnering Dick Matena

Uitgeverij Kluitman, Alkmaar…
Een wereld van nostalgie opent zich voor me als ik die woorden opschrijf, want Kluitman, Alkmaar associeer ik, geboren in 1943 én opgegroeid in de jaren vijftig, in hoge mate met die vijftiger jaren, zoals ik dat ook doe met andere iconische begrippen uit die tijd: Kapitein Rob, Eric de Noorman, Flipje van Tiel, Dick Bos, Bulletje en Bonestaak, Elvis Presley en James Dean, om er maar een paar te noemen.
Maar laat ik niet onmiddellijk weemoedig afdwalen en me bepalen tot het onderwerp waarover ik het wil hebben, zie boven; uitgeverij Kluitman, wat mij betreft de moeder aller kinderboekenuitgeverijen, die dit jaar haar 150-jarig bestaan viert.
Allereerst, van harte gefeliciteerd en bedankt voor al het moois dat u al anderhalve eeuw lang aan de jeugd van Nederland – en vroeger ook Nederlands-Indië, laten we dat niet vergeten – schenkt.
Want moois was het voor het jochie dat ik ooit was. Ik was als kind geen huismus, maar zo tussen mijn zevende en tiende jaar moest ik herstellen van een ernstige nierziekte die me meer aan huis bond dan daarvoor en daarna, en aangezien ik al van zeer jongs af aan een fanatiek lezertje en plaatjeskijkertje was, werd ik door mijn ouders, om de saaiheid van het thuiszitten te bestrijden, bedolven onder de boeken, léésboeken zoals dat toen heette en kijkboeken, strips dus, want ze trokken zich goddank niks aan van de hetze die in die jaren van hogerhand tegen beeldromans en -romannetjes gevoerd werd. Gelukkig konden zij zich dat, in die berucht schrale tijd, wel permitteren.
Maar stripjes had je gauw uit, de zogenaamde leesboeken niet en die waren gelukkig vaak ook van onder tot boven en van links naar rechts geïllustreerd. Ook uitgeverij Kluitman was met die versieringen niet kinderachtig en bovendien waren die illustraties van de Kluitman-boeken niet mis. De grootste tekenaars werkten voor de Gebr. Kluitman: Johan Braakensiek, die Dik Trom vormgaf en in hoge mate medeverantwoordelijk was voor het succes van de bolle deugniet met het gouden hart, J.H. Isings, ook bekend van de historische schoolplaten, Tjeerd Bottema, C. Jetses en Pol Dom, en niet te vergeten Bueno de Mesquita, die Pietje Bell illustreerde.
Sommigen van die tekenaars brachten ook weer tekenaars voort, zoals Braakensieks kleinzoon Jan van Oort, die onder de nom de plume Jean Dulieu beroemd werd met zijn Paulus de Boskabouter-boeken, die hij schreef en illustreerde.
Heel mooi vond ik, en vind ik nog altijd, de omslagen van veel oude Kluitman-boeken, met die van Dik Trom van Johan Braakensiek voorop.
Vaak waren het ware kunststukjes van vormgeving en tekenkwaliteit en sommige, zoals het omslag van Kruimeltje van Pol Dom – waarop Kruimeltje in de richting van de lezer rent en een boze agent op de achtergrond, getroffen door een sneeuwbal, zijn vuist schudt – is legendarisch geworden, wat ook geldt voor Dik Trom, omgekeerd op de ezel zittend, op het omslag van het eerste deel uit de serie.
De omslagen werden vaak door andere uitgevers geïmiteerd, soms geëvenaard, maar zelden overtroffen. Als kind moet ik lange tijd gedacht hebben dat álle kinderboeken van Kluitman waren, zó leken andere uitgaven er vaak op en als jong lezertje lette je uitsluitend op de titels van boeken en niet op bijkomstigheden als uitgeversnamen, dat kwam later pas.
Een extra bonus in de Kluitman-boeken stond achterin: Nog te verschijnen of al verschenen,kleine, zwart-witte omslagjes (postzegelgrootte) van andere prachtuitgaven van de uitgeverij.
Heel slim, want kinderen gingen niet naar de winkel, moeders, tantes en oma’s wel en die kon je dan wijzen op boeken die je ook graag wilde hebben. Een goede vorm van reclame, die er ongetwijfeld mede verantwoordelijk voor is geweest dat Kluitman nog bestaat, terwijl zo veel concurrenten allang verdwenen zijn.


Leesherinnering – Koen David

Uitgeverij Kluitman heeft eigenlijk een bijzonder grote stempel gedrukt op mijn leescarrière.
In de jaren 70, ik was toen tien jaar, kreeg ik de leeshonger pas goed te pakken. En hiervoor was snel een remedie gevonden, namelijk de Katholieke bibliotheek in Dendermonde. Mijn ouders konden op beide oren slapen: alle boeken die in deze collectie stonden, waren gescreend en stonden niet op de zwarte lijst van de katholieke kerk. Gerard Walschap, Remco Campert, Louis Paul Boon behoorden niet tot deze collectie. Of er geweigerde jeugdboeken waren, heb ik nooit kunnen achterhalen, maar ik weetéén ding: het leesvoer dat ik te verteren kreeg, waren allemaal stichtelijke verhalen.

Op dat moment waren er relatief weinig Vlaamse jeugdauteurs: Gaston Van Camp, Jo Briels, Coria Leeman, Leopold Vermeiren en René Swartenbroeckx waren zo ongeveer de enige.

Gelukkig was er heel wat lectuur van Nederlandse uitgeverijen aanwezig en vooral de twee reeksen ‘de Kameleon’ en ‘Pietje Bell’ konden me bijzonder boeien.

Van ‘de Kameleon’ ging altijd iets gezelligs uit. Alhoewel we in Vlaanderen totaal geen ‘vaarcultuur’ hebben, vond ik de avonturen van Hielke en Sietse met hun boot indrukwekkend. Steeds konden ze alle problemen oplossen en speelde hun boot een heel belangrijke rol.

De boeken met Pietje Bell in de hoofdrol waren dan weer boeken waarin guitige avonturen elkaar afwisselden. De durf die Pietje Bell aan de dag legde, fascineerde me. Er zat ook altijd een grappig kantje aan die jongen.

Dat deze twee reeksen nog steeds aangeboden worden, getuigt dat dit boeken zijn waarmee verschillende generaties groot zijn gebracht. Wellicht zijn er families waar zowel grootouders, kinderen en kleinkinderen deze boeken gelezen hebben. Dat zijn dus sublieme longsellers, iets wat in het Vlaamse jeugdboekenlandschap totaal ontbreekt.

Toen ik van Piero Stanco, de directeur van Kluitman, toestemming kreeg om eens in het archief van Kluitman te gaan kijken, was het dan ook alsof ik door de schatkamer van mijn jeugd wandelde.
Ik had een beetje het Howard Carter-gevoel toen die het graf van Toetanchamon opende.

Veel van die boeken riepen zeer aangename herinneringen op. Ik ben er zeker van dat die uren leesplezier met de Kluitman-boeken in mijn jeugd een grote invloed hebben uitgeoefend op de keuzes die ik later maakte als jeugdboekenuitgever: niet de hoogdrempelige, maar vlotte verhalen, waarin leesplezier centraal staat. Waar kinderen van smullen en veel leeservaring door opdoen om dan later een stap te zetten naar de echte literatuur.

Dat ik later met zo’n uitgeverij mocht samenwerken, was een hele eer voor mij.

Koen DAVID
Oprichter Abimo uitgeverij
Sint-Niklaas, België

 



Oud en vertrouwd – Leesherinnering Mirjam Rotenstreich

Het was een huishouden van Jan Steen, daar in dat piepkleine huisje aan de Benedenweg in Sint Pancras, waar tante Kaatje en Wietske woonden. Het keukentje bestond uit niet veel meer dan een fornuis en een aanrecht, met in de gootsteen het vuile vaatwerk, dat hoog stond opgestapeld stond. Alles wat koel moest blijven, werd op de deel gezet. Verder stond er altijd een pannetje op het petroleumcomfort, waar de geur van te lang gekookte kool – witte, rode, groene of zuurkool – uit opsteeg.

In het petieterige huiskamertje slingerde van alles rond: kranten, tijdschriften (waaronder de Prinses en de Alkmaarsche Courant), schone was die gevouwen of gestreken moest worden, allerlei prullaria, planten, heel veel planten, breiwerkjes, enzovoort.
Het was een huishouden zonder kinderen, met een tante die geen echte tante was van mij en mijn vijf jaar oudere zus Hinde. Kaatje was ook niet de vrouw van Wietske, maar zijn huishoudster. Hoewel… er deden verhalen de ronde dat ze wel degelijk iets met elkaar hadden.
Dat rommelige huishouden vonden wij, de twee zusjes, juist fijn. Als het maar even kon, snelden we naar tante Kaatje, nadat we de veel te warme huiskamer van Tante en Oom waren ontvlucht. Dat echtpaar had onze moeder en een van haar zussen bij hen laten onderduiken tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ook Tante en Oom waren geen familie. Dat we ze Tante en Oom noemden, als waren het voornamen, benadrukte het belang van hun positie binnen ons gezin. Toch was het tante Kaatje die Hinde en ik de allerliefste onechte tante vonden die er zijn kon.
Bij tante Kaatje en Wietske troffen we bijna altijd een nest jonge poesjes, wat voor Hinde en mij – beiden kattengek – één groot feest was. We vleiden ons op de grond en bleven roerloos liggen, zodat een of meerdere van die kleine donzige bolletjes zich met hun scherpe nageltjes, hakend in onze kleding, tegen ons op klauterden. Dat de meeste van die jonge poesjes uiteindelijk door Wietske verdronken werden – in het zo protestantse Sint Pancras was de pil, zelfs voor dieren, uit den boze – vonden Hinde en ik vreselijk, maar we schikten ons naar de mores van die tijd en die plek.
Behalve de katten, de snorrende potkachel en natuurlijk het onvermijdelijke koekje uit een trommel, was er nog iets anders waarom wij het zo behaaglijk vonden in dat huishouden van Jan Steen. Wietske, de ‘hoofdbewoner’, was van beroep tuinder, zoals overigens de meeste mannen uit het dorp. Wat hem anders maakte, was dat hij in zijn vrije tijd voor de bibliotheek in Alkmaar werkte. Deze man met rode konen van de gezonde buitenlucht, van wie de vingers met een dikke laag eelt waren bedekt en vol met zwarte barsten zaten van het jarenlang gewroet in de aarde, had een hartstocht voor boeken. Hij las de tientallen exemplaren die hem omringden bijna allemaal en als amateur-bibliothecaris voorzag hij ze van de noodzakelijke codes op de rug. Dat werk deed hij niet in de bibliotheek zelf, maar in de petieterige woonkamer van dat piepkleine huisje. Stapels boeken lagen er, sommige torenhoog. Het gaf dit huishouden van Jan Steen een wel erg apart aanzien. De boeken droegen bovendien geen saaie titels als: Hoe houd ik binnenplanten? of: Macramé voor beginners. Nee, het ging om literaire boeken, oorspronkelijk Nederlands of vertaald en, heel belangrijk voor Hinde en mij: kinderboeken, om preciezer te zijn: kinderboeken van uitgeverij Kluitman uit Alkmaar. Daar, bij tante Kaatje en Wietske, kwamen Hinde en ik in contact met Dik Trom, Pietje Bell, de Kameleon en, niet te vergeten, dat schitterende verhaal van Afke’s Tiental. Ik weet niet hoe vaak ik dat boek gelezen heb, maar wat ik me nog wel herinner als de dag van gisteren, is dat ik dacht: maakte ik maar deel uit van dat gezin. Het voelde zo warm, zo vertrouwd, eigenlijk net zoals bij tante Kaatje en Wietske, alleen had Afke wél kinderen, tien maar liefst.


Achter elke naam een wereld? Leesherinnering van Janneke van der Veer, mede-auteur van het jubileumboek van Kluitman

In het Groningse dorp waar ik opgroeide, hadden mijn klasgenoten namen als Grietje, Hennie, Siepie, Ietje, Roelie, Saakje en Aaltje. Volgens traditie waren ze vernoemd naar grootmoeder van moederskant of een ander familielid. Zo kreeg ik bij mijn geboorte de naam van mijn oma Janke. Noch mijn eigen naam, noch die van mijn klasgenoten sprak tot mijn verbeelding. Het waren namen van het dorp, waar het leven veilig maar weinig opwindend was. Daar dacht ik in eerste instantie niet over na, al sluimerde er wel van jongs af iets onbestemds in mij dat er toch meer in de wereld moest zijn.
Andere werelden leerde ik kennen toen ik eenmaal kon lezen. Ik verslond het ene boek na het andere. De bibliobus, die wekelijks voor de school stopte, bezocht ik trouw. Ook kreeg ik met regelmaat een boek van mijn ouders, die mij gelukkig nooit hebben afgeremd in mijn leeshonger. Veel boeken gingen over meisjes die andere namen hadden dan die ik van school kende. Namen die door mij verbonden werden met hun belevenissen.

Zo was er Josientje uit Josientje en haar kleine deugniet van Cok Grashoff, uitgegeven door Kluitman. Josientje heeft een eigen tuintje, maar op een dag zijn al haar plantjes vertrapt. Een bokje blijkt de boosdoener. Met dat bokje beleeft Josientje spannende avonturen. En dan was er Elma uit ’t Is feest voor Elma – eveneens van Cok Grashoff en ook uitgegeven door Kluitman – die voor haar verjaardag een mooie autoped krijgt en vervolgens een goochelaar helpt bij zijn optreden. Ten slotte wordt haar een schildpad als huisdier in het vooruitzicht gesteld. Miesje Sandelhout uit de gelijknamige Kluitman-serie van Pieter Nierop was ook zo’n vrolijk meisje dat van alles meemaakte, net als ‘Marjoleintje van het pleintje’ van Freddy Hagers. Later kwamen de pockets in ruime mate in huis, waaronder titels uit de Kluitman-Jeugdserie. Anneke en Veronica van Gertie van Voorst bijvoorbeeld en De klas van Klaartje van Riek Poutsma. Onder meer aan deze boeken ontleende ik samen met mijn hartsvriendin Lineke de namen van de hoofdpersonen in de door ons gezamenlijk verzonnen verhalen. Beurtelings schreven we in – helaas niet bewaard gebleven – schoolschriften een hoofdstuk van Puck en Anneke en later Klaartje en Maartje.

Ouder geworden las ik de verhalen uit de Sneeuwbal-serie en de Kluitman-Romanserie. Romantiek in Portugal van Gé Verhoog, Lex, het geluk en ik van Hans Borrebach, Hoe moet dat nu, Curly? van Miep van Duijsen-Stomps en Christien gaat pionieren van Hans de Groot-Canté, om er maar een paar te noemen. De belevenissen van hoofdpersonen als Curly, Christien, Lily en Yvette pasten in mijn ogen bij hun namen. Hun avonturen brachten me niet alleen in onbekende oorden, maar voedden ook mijn voorstelling van romantische relaties met het andere geslacht. Weinig verheffend allemaal, maar ik smulde er toen van. Nog steeds lees ik graag jeugdboeken, het ene vind ik beter dan het andere. Belangrijk is of de verhalen aan het denken zetten, op de een of andere manier ontroeren en met verbeeldingskracht zijn geschreven. Namen spelen geen rol meer. Het idee dat avonturen en voornamen logisch met elkaar verbonden zouden zijn, ben ik ergens op mijn reis door jeugdboekenland kwijtgeraakt. Wel zijn sommige namen uit mijn eerste leeservaringen me bijgebleven. Met plezier denk ik terug aan Josientje, Elma, Miesje, Marjoleintje en vele andere boekenmeisjes. Mooie leesherinneringen neemt niemand je af.

 


Kruimeltje – Leesherinnering Maureen du Toit

Kruimeltje was voor mij niet zomaar een boek. Als ik eraan terugdenk, is het alsof ik herinneringen ophaal aan een dierbare jeugdvriend. Ik weet niet precies in welk jaar ik het boek van Van Abkoude las of hoe oud ik was. Ik weet wel dat het winter was en ik het in een weekend uit had. Ik was sowieso een kind dat achter elkaar boeken kon verslinden. Als ik eenmaal in die luchtbel zat, was ik vertrokken en hoorde ook niets meer. Soms schrok ik op van mijn vader of moeder die mijn naam riep. En aan de toon kon ik horen dat het niet de eerste ‘oproep’ was.
Mijn vaste leesplek was achter onze sofa. Daar kon ik achter kruipen en dan urenlang zitten met mijn rug tegen de sofa en met mijn voeten tegen de verwarming gedrukt, letterlijk met mijn neus in het boek, dat ik op mijn knieën plaatste. Een hoogst ongemakkelijke houding voor een volwassene maar toen geen enkel probleem. Na een tijdje werd er niet meer geroepen maar eerst achter de bank gekeken. Waarom ik mij het boek Kruimeltje zo goed herinner, weet ik nu enigszins te verklaren, maar destijds was het gewoon een boek dat me meteen diep raakte. Ik ben zelf geadopteerd en heb het geluk gehad dat ik ben opgenomen in een liefdevol gezin. Kruimeltje niet. Kruimeltje had geen ouders, dat vond ik zo zielig. Dat had mij ook kunnen overkomen. Het boek zit ook nog eens vol volwassenen die hem slecht behandelen. Een liefdeloze alcoholistische vrouw, een man met losse handjes die hem vals beschuldigde en ook nog zijn hond naar het asiel stuurde waar die afgemaakt dreigt te worden. En dan niet te vergeten de koster die Kruimeltje op een koude winternacht de kerk uitzet, waardoor hij met zijn hond bijna doodvriest. Een hoop ellende voor een kinderboek eigenlijk, maar dat voelde, toen ik het las, niet als een aaneenrijging van ellendige gebeurtenissen.
Waarschijnlijk door het optimistische karakter van Kruimeltje. Gelukkig was er de hond Moor en die lieve meneer Wilkes die Kruimeltje wel wilde adopteren, maar toen in het ziekenhuis terechtkwam nadat zijn winkel afbrandde. Eindelijk beter, wilde hij naar Amerika om de ouders van Kruimeltje te zoeken zodat Kruimeltje voorlopig naar een gesticht moest, waar hij weer in de problemen kwam. Toen Kruimeltje werd aangereden door zijn eigen moeder duurde het voor mijn gevoel eindeloos voordat ze daar allebei achter kwamen. Volgens mij heb ik toen stiekem een paar bladzijdes overgeslagen om te kijken of het echt wel goed kwam. Het einde is helemaal happy als meneer Wilkes terugkomt uit Amerika met de verloren vader van Kruimeltje. Ondanks het (toen al) oubollige taalgebruik heeft mijn oudste dochter (van tien) geen moeite met het boek. Het is een bijzondere ervaring om samen met mijn kinderen mijn oude jeugdboeken te herlezen. Sommige verhalen zijn duidelijk tijdloos.

Terug naar Pietje Bell

Leesherinnering Door Arjan Peters
Geen idee wie Chris van Abkoude was, want als lezend jongetje van een jaar of negen heb je met een schrijver niets te maken. Maar wel alles met zijn creaties. Alle acht deeltjes van de serie over Pietje Bell heb ik minstens drie keer gelezen, met na de eerste keer die de blije kennismaking was, het handen wrijven als bonus. Dit gaat leuk worden. Waarbij ik eerst het omslag bekeek en de naam Chr. van Abkoude zag staan, die ik nooit zou vergeten, maar dan zonder me af te vragen waar Chr voor stond en of de schepper nog leefde.
Er bestond geen context. En die bleek ook niet nodig om te verzinken in de verhalen over de dwaasheden van een bliksem op de grens tussen knipogende kwajongen en normloze vlegel. Als ik mij de tijd voorstel waarin ik de Pietje Bell-serie ontdekte, begin jaren zeventig van de vorige eeuw, dan zie ik hippies op de Dam voor me en een wereld die, net als de televisie, van zwart-wit op kleur overging. Maar die buitenwereld bestond niet als ik las.
Pietje probeert goed te doen maar is ook ongedurig, en het belhameldom is zijn eerste natuur. Als er sneeuw valt (in deel 1, geschreven door Chr in 1914, het klinkt als een evangelie uit de oertijd), dan is dat voor Pietje geen aanleiding voor een mijmering over de wonderen der natuur. Sneeuw is een mogelijkheid. ‘Sneeuw, zo redeneerde Pietje, is geschikt om er poppen van te maken, of een vesting of een reuzenkogel, die steeds groter wordt als je hem over de weg rolt. Verder kun je sneeuwballen gooien en dat is eigenlijk wel het leukste. Wanneer er dus sneeuw ligt, moet je ervoor zorgen dat je er zo veel mogelijk pret mee maakt.’ Om te beginnen gaat hij zijn vader, de immer goedlachse schoenmaker met de bijnaam Jan Plezier, eens flink inzepen.
Zo’n jongen dus. ‘Een reuzetype’, roept zijn vader steeds, en ook dát heb ik nooit vreemd gevonden, dat een vader zijn kind tot een type reduceert (Pietje is dus niet uniek) en dat nog als compliment bedoelt ook.
De tegenkrachten zijn alomtegenwoordig, bemerk ik bij herlezing, ruim veertig jaar nadat ik aan de Bell-boeken verslingerd was. Er is de drogist, buurman Geelman, een zuurpruim met een vreselijk brave zoon. Er is de akelige tante Cato. Er zijn politieagenten en mensen die de grollen van Pietje niet kunnen waarderen.
Maar er zijn ook twee vaste waarden in zijn leven: de vader tolereert de kwajongensstreken en ligt zelfs meestal, ietwat simpel, ‘dubbel van het lachen’ om zijn zoon. Dat verbond geeft de jongen vertrouwen. En er is schoolmeester Ster, heel oud, ‘al een eind over de zestig’, die hem eveneens de hand boven het hoofd houdt.
Tot hoofdstuk 18 dan, uit datzelfde deel 1: ‘Trieste dagen’. Ster blijft thuis in bed, met een longontsteking. Een aangedane Pietje bezoekt hem: ‘hij ging aan meesters bed zitten en kuste de hand die boven de dekens lag.’ Even ontwaakt Ster, en strijkt de jongen over het hoofd. In de week die daarop volgt, brengt Pietje hem fruit en leest hij de meester voor.
Op zekere middag verneemt hij de onheilstijding. ‘Diep bedroefd liep hij huiswaarts. In zijn hand hield hij nog het boek waaruit hij zijn arme, zieke meester zo vaak voorgelezen had. Hij liep maar stilletjes door, zonder op iets te letten. Het was net alsof hij niet goed begreep wat er was gebeurd.’
Een jongen met een boek, dat was ik zelf ook toen ik dit las. En nu ik vijftig ben en Pietje Bell herlees, bewonder ik Chr van Abkoude opnieuw, of nog meer zelfs, om zijn schildering van een dekselse deugniet die ook weet wat ontroering is. Zo fijntjes als de schrijver een stilte kan laten vallen op dat afgrondelijk droeve moment, dat er even niets te lachen is.
Arjan Peters (1963) is redacteur en literatuurcriticus van De Volkskrant.

Leesherinnering van kinderpopster Dirk Scheele

Gretig zei ik ja op de vraag of ik een column wilde schrijven over míjn ervaringen met Kluitman-jeugdboeken. Ik voelde me erg vereerd. Tot ik erover na ging denken; 500 woorden is best veel. En ik las vroeger toch bijna geen boeken? Ja, stripboeken. Kan ik nog afzeggen voor de column?

Ik las als kind bijna alleen maar stripboeken. Ik tekende graag, en striptekenaar worden leek me wel wat. Van mijn omgeving kreeg ik, met goede bedoelingen, regelmatig boeken. Hier stonden vooral veel letters in, vond ik. Van mijn opa kreeg ik steeds Karl May-indianenboeken. Ik durfde echter niet tegen hem te zeggen dat ik ze eigenlijk niet las. Toch heb ik er uiteindelijk wel twee gelezen.

Als ik nu de Kluitman-jeugdboekenlijst zie, blijk ik helemaal niet zo’n kinderboekencultuurbarbaar te zijn, want ik zie toch enkele titels die ik als kind gelezen heb. De goede bedoelingen van mijn ouders en opa blijken dus gewerkt te hebben.

Van de Kameleon heb ik de eerste twee delen gelezen. De spannende avonturen in deze verhalen spraken me toen erg aan en ik herkende me er goed in. De avonturen vonden vooral buiten in de natuur plaats. Ik woonde als kind tussen de bossen en de weilanden en daar kon je genoeg spelen en kattenkwaad uithalen. Over kattenkwaad gesproken, van Pietje Bell heb ik ook een boek gelezen en dat vond ik erg leuk en spannend. Een jeugdvriend van mij was zelf een soort Pietje Bell. Zo iemand die je meeneemt op avontuur, waardoor je allerlei dingen beleeft die je zelf niet zou durven.

Op een gegeven moment mocht ik mee op padvinderskamp. Ik kreeg van mijn moeder een nieuw Pietje Bell-boek mee. En laat dat boek nou net, voordat ik het gelezen had, bij het hoofdeinde van mijn matras tussen de planken van de houten vloer vallen. Het was niet meer te pakken. Dat was het einde van mijn Pietje Bell-carrière.

De boeken over Swiebertje blijken ook bij Kluitman uitgegeven te zijn. Nooit gelezen, maar op televisie keek ik als kind vaak met veel plezier naar die gekke Swiebertje. Zo’n man die lekker rondzwerft en doet waar hij zin in heeft. Dat sprak me wel aan. En hij las óók geen boeken.

Met mijn leesgedrag is het toch nog helemaal goed gekomen. Ik lees regelmatig boeken en geniet van mijn eigen beelden en fantasie die ik krijg bij de boeken. Onlangs heb ik de zeven delen van de Fantasy Chronicles van George R.R. Martin uitgelezen. Ik lees momenteel helemaal geen stripverhalen meer (alhoewel, de nieuwe Asterix staat wel op mijn verlanglijstje). Ik ben ook geen striptekenaar geworden, maar wel een tekstschrijvende kinderliedjeszanger. En binnenkort komt er een boek van mij uit via Kluitman, getiteld Op stap met Dirk Scheele, waar ik als een soort gefotografeerd stripfiguur in mijn eigen verhalen figureer. Zo is de cirkel toch nog rondgekomen. En nu nog wat woorden schrappen, want het zijn er alweer veel meer dan 500.


 

Leesherinnering van Eppo van Nispen tot Sevenaer, directeur CPNB

Ieder mens heeft helden nodig. Figuren in wiens huid je kruipt en als je dat niet durft, met veel ontzag en plezier geniet van hun daden. Om er zelf sterker van te worden, om ervan te leren of gewoon om van te genieten. En die helden hoeven niet per se onkreukbaar te zijn, sterker nog, in mijn geval liever niet. Echte helden zijn voor mij zij die de boel een beetje opschudden, met humor, en die uiteindelijk veel meer goeds dan kwaads in de zin hebben. Ondeugend is daarbij het sleutelwoord, niet brutaal, nee, ondeugend. Die helden vond ik in de broers Hielke en Sietse Klinkhamer, de onverdroten tweeling uit het Friese hoge noorden. Met de avonturen die zij beleefden, hebben ze menig uur van mijn leven op stelten gezet. Wat had ik graag in Lenten met hen meegevaren in de Kameleon. Het toeval wilde dat wij met de familie een boerderij in Friesland hadden, waar we de meeste vakanties verbleven. Bij gebrek aan een tweelingbroer vormden mijn oudste broer en ik, in mijn gedachten, Hielke en Sietse. We hadden zelfs een bootje. Dat leek in de verste verte niet op de Kameleon, maar dat deed er niet toe. Het was ónze Kameleon, waarmee we langs de Friese oevers voeren in de hoop op dezelfde avonturen als de tweeling. We droegen net als zij blauwe overalls en klompen. En we hadden zelfs onze eigen echte Friese ‘Louw’ (een jongen van de Vivo uit het dorp) en ‘Gerben’ (de knecht van de boer). Maar ook de inwoners uit Lenten bleken allemaal in het dorp nabij onze boerderij te wonen. Van veldwachter Zwart tot de rijkste man van het dorp: Siegertsma. Andere namen, zelfde personages. Alleen de dokter was bij ons de tandarts. De Kameleon klopte in alle opzichten. Misschien was dat wel wat mij het meeste greep. Grappig en ondeugend, warm en boerenslim, maar vooral echt. Hielke en Sietse bestonden! En elke keer als ik in Friesland kwam, kon ik dat met eigen ogen aanschouwen,en ruiken en voelen. De geur van gras, het water en het dorpse Friese leven. Het klopte met het boek. Geloofwaardige fictie is toch een kunst van de auteur, en van de uitgever die dat schrijftalent her- en erkent en uitgeeft, zodat het de lezer bereikt. Dat is de kracht van Kluitman. Die heeft het talent van Hotze de Roos onderkend en ervoor gezorgd dat vele lezers met dit ‘kluitje’ het Friese riet in gestuurd werden. Elke keer als we de Afsluitdijk oversteken om naar de boerderij te gaan, dompel ik mij als vanzelf onder in de avonturen van de twee broers die diepe sporen hebben achtergelaten in mijn leesplezier en liefde voor het Friese land. Daar ben ik Kluitman en De Roos eeuwig dankbaar voor.

 


 

A.F.Th. van der Heijden schrijft leesherinnering Kluitman

Pietje Bell meets Old Shatterhand
Begin jaren zestig had mijn elfjarige zusje de monomane neiging om geleende bibliotheekboeken niet alleen te lezen maar vervolgens ook met de hand over te schrijven. Het ging razendsnel, met groene balpeninkt op een eindeloze reeks multomapblaadjes, tot ‘boek’ bijeengehouden door een ringband. Het zag er zo aantrekkelijk uit, dat aandachtige gezichtje met de donkere ogen, die mee bewogen met de snel pennende hand, dat ik zelf lust kreeg een bibliotheekboek over te schrijven. Het bracht me in gewetensnood, want ik had natuurlijk allang mijn verachting uitgesproken over de vruchteloze inspanningen van mijn zusje. Ik verzuimde te vragen waarom ze het deed. Dat zou later duidelijk worden.
Rustig beginnen. Ik leende bij de openbare bibliotheek van Geldrop het dunste boek dat ik kon vinden. Het witte huis – ik weet de titel nog, en ook dat het niet over de Amerikaanse presidentiële residentie ging. Verder staat me van de inhoud niets bij, terwijl ik het toch eigenhandig van a tot z heb gekopieerd. Vermoedelijk heb ik het vooraf niet gelezen, zozeer was ik erop gespitst hetzelfde verrukkelijke gevoel te verwerven als ik bij mijn zusje meende te bespeuren.
Het viel tegen. Om te beginnen maakte ik er, uit gêne om het zinloze van de onderneming, een heimelijke bezigheid van. Ik legde het kleine boek in een Libelle van mijn moeder, zodat ik bij binnenkomst van een ongewenste bemoeial het tijdschrift dicht kon slaan, en de houding aan kon nemen van iemand die een eigen, oorspronkelijke tekst aan het componeren was. Ik haalde bij lange na niet de schrijfsnelheid van mijn zusje. Ook het verwachte geluksgevoel bleef uit. Naarmate er meer ringbandblaadjes tweezijdig beschreven raakten, daalde er een gewaarwording van stoffige landerigheid over me neer. Puur op karakter, zoals de Belgen zeggen, haalde ik de eindstreep. Ondertussen lag mijn zusje alweer anderhalf bibliotheekboek op me voor. Spoedig bleek dat haar inspanningen wel degelijk een doel dienden: ze vormden een exercerende aanloop tot het schrijven van een eigen boek.
En dat kwam er. Van de inhoud herinner ik me niet veel meer dan dat die over een zielig meisje handelde dat in het ziekenhuis belandde en daar allerlei avonturen beleefde. Ik zie het handgeschreven manuscript nog voor me: een pak multomapblaadjes, vastgeklemd tussen twee kartonnen tabbladen, het geheel bijeengehouden door een gestrikte wollen draad, die door de gaatjes was gehaald. Marianne, want zo heette mijn zusje, zat op een nonnenschool. Ze liet haar boek aan een zuster lezen, die het begeesterd las en doorspeelde aan haar medenonnen in het kleine klooster, waar ook de zusters woonden die het plaatselijke ziekenhuis bedienden. Zo begon het multoboek van Marianne aan z’n triomftocht langs de hospitaalbedden, waardoor vooral vrouwen en meisjes diep geroerd raakten. Had een elfjarige dit geschreven? Onbegrijpelijk.
Ik kon dit niet op me laten zitten. Gedaan met het kopiëren van bibliotheekboeken. Een eigen roman moest er komen. Niet zo’n tranentrekkertje als het verhaal van Marianne, maar een boek vol bloedstollende avonturen. Ik las in die dagen afwisselend Pietje Bell en de boeken van Karl May over Old Shatterhand en Winnetoe. Mijn hoofdpersoon zou een kruising worden tussen Pietje Bell en Old Shatterhand in jongensgedaante, genaamd Young Bell Shatterhand. Hij zou als verstekeling aan boord gaan van een groot zeilschip, dat in de Rotterdamse haven geheel opgetuigd klaarlag om aan de oversteek naar Amerika te beginnen.
Ik zette me aan het schrijven. Al gauw was me duidelijk dat Young Bell Shatterhand niet in z’n eentje scheep ging naar het Wilde Westen. Er moest een vriendje mee, om samen avonturen te beleven. Tegelijkertijd was ik al romanschrijver genoeg om te beseffen dat zo’n breed opgezet verhaal niet zonder vrouw kon. Had ik in een van de delen Pietje Bell niet gelezen dat Pietje bij een buurmeisje de vlechten had afgeknipt om haar een jongenskoppie te bezorgen, zodat hij er een vriendje bij had? Young Bell Shatterhand deed, alvorens op reis te gaan, bij een vrouwelijk klasgenootje hetzelfde.
‘Als een jongen die verstekeling is, ontdekt wordt, dan mag hij meedoen met alle hens aan dek.’ Zo ongeveer, uit de herinnering gereconstrueerd, formuleerde Young Bell Shatterhand het tegenover het meisje Winnie, dat voortaan Winston heette. ‘Als een meisje dat verstekeling is, ontdekt wordt, dan moet ze op een ander schip terug naar huis.’
Ik wist, al schrijvend, het tweetal aan boord van het schip te krijgen, waar ze zich als verstekeling verstopten. Ik legde nog wat gefluisterde dialogen vast, maar daarna verzandde het verhaal hopeloos in een te uitvoerige beschrijving van het zeilschip zelf met z’n tuigage en kraaiennesten en vaten met voorraden in het vooronder. Ik kreeg, kortom, de boot niet van de kade los. Het ruime sop bleef onbereikbaar. Benedendeks kregen Winston en Young Bell Shatterhand kramp in hun dijen van het hurken tussen de ankertouwen en de potten met pek. Als ik het manuscript niet vernietigd had, zaten ze er nu nog.

Amsterdam, 26 oktober 2013