Johan H. Been

Kinderboekenschrijver Johan Hendrik Been werd in 1859 in Den Briel geboren. Zijn ouders hadden een garen- en bandwinkeltje. Zijn vader was daarnaast ook nog marskramer. Zij wilden graag dat hun zoon, die goed kon leren, dominee zou worden. Dit was eigenlijk ook de wens van Johan zelf.

Johan H. Been ging naar het Brielse gymnasium (de Latijnse school), maar hij voelde zich niet echt thuis tussen al die leerlingen uit rijke families. Zijn leerprestaties gingen hierdoor achteruit. Daarnaast bleek dat het een probleem zou worden om de hoge kosten van de theologiestudie te betalen. Johan ging uiteindelijk teleurgesteld van school.

Nadat Johan gestopt was met de Latijnse school, ging hij naar de normaalschool. Dit is de school waar vroeger onderwijzers werden opgeleid. Deze studie heeft hij vlot afgemaakt, maar echt leuk vond hij het niet. Toch is hij door het lesgeven begonnen met het schrijven van verhalen. Zijn leerlingen luisterden namelijk graag naar de verhalen die hij had geschreven. Die verhalen gingen altijd over de zee, soms waar gebeurd, maar vaak gefantaseerd.

Johan Been en Den Briel zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden. Zijn hele leven heeft hij in de stad der Watergeuzen gewoond en het was het stadje Brielle dat hem inspireerde voor zijn verhalen.

Zijn eerste gedichten komen uit 1875, waarin hij de aanleg van de Nieuwe Waterweg betreurt. Deze waterweg zou Brielle tot een dode stad maken; de scheepvaart op de Maas zou afnemen en de loodsen van Brielle zouden overbodig worden.

Tot 1895 schreef hij verhalen onder het pseudoniem Hendrik Eben. Deze verhalen spelen zich af in een verzonnen stadje, Zeewalden. Ze lijken gebaseerd te zijn op het dagelijks leven in Den Briel. De lezers vinden er de loodsen, de burgemeester, de notabelen en Beens oude vrienden in terug. Het zijn sentimentele verhalen, die geen historische feiten bevatten.

In 1895 wordt Johan Been benoemd tot gemeentearchivaris. Deze baan bevalt hem erg goed. Hij krijgt de kans om in de diepste geheimen van het verleden van de stad rond te neuzen. Deze historische kennis zal zijn boeken ten goede komen. Het verleden van Den Briel vormt altijd het uitgangspunt voor de boeken van Been. Vaak gaan ze over de Hollanders in de 17e eeuw, over het aanzien van zeehelden als De Ruyter en Tromp. De verhalen hebben meestal een christelijke achtergrond, en spreken over liefde voor het eigen land en trouw aan het Oranjehuis.
Het in deze periode verschenen boek ‘Dagen en daden van admiraal Dubbel Wit’ (1899) werd om de beschrijving van liefde voor het land en het vorstenhuis, verspreid onder de manschappen van leger en vloot.
Tot 1910 combineert Been zijn baan als onderwijzer met die van archivaris. Daarna kan hij dit niet langer bolwerken en neemt ontslag als onderwijzer. Hij behoudt echter wel het contact met de jeugd door het schrijven van jongensboeken, die werden uitgegeven door Uitgeverij Kluitman in Alkmaar. Kluitmanraadde hem aan zijn historische jeugdboeken wat meer avontuur en spanning te geven en levendiger te gaan schrijven. De stijl van Been is voor deze tijd wat plechtig en dramatisch, maar door zijn boeiende manier van vertellen en geestig woordgebruik, speciaal in het jeugdboek ‘Paddeltje‘, blijven deze boeken behoren tot de goede historische zeeverhalen voor de jeugd. Ze geven een goed beeld van de strijd van onze zeelieden in de 17e eeuw en de gevaren waarin zij verkeerden.
Zijn boeken werden vaak geïllustreerd door beroemde tekenaars uit die tijd: Johan Braakensiek, J.H. lsings Jr., Tjeerd Bottema en Louis Raemaekers. Ook in de tijdschriften Eigen haard, Wereldkroniek, Timotheus, Schouwvenster voor het jonge volkje en het dagblad De Nieuwe Rotterdamsche Courant, schreef Johan Been stukken voor de jeugd. Op een verzoek uit de onderwijswereld heeft Been oudtestamentische verhalen voor de jeugd bewerkt. Een schoolopziener, die het met de inhoud niet eens was, heeft ervoor gezorgd dat deze bewerkingen weer uit de scholen zijn verwijderd.

Johan Been, zeeman aan wal met een onoverwinnelijke watervrees, heeft voor zijn werken over het roemruchte verleden van Brielle al tijdens zijn leven erkenning gekregen. In 1922 ontving hij van koningin Wilhelmina bij de 350e verjaardag van het Watergeuzenfeit de orde van Oranje Nassau. Ter ere van het 600-jarig bestaan van de stad Den Briel werd in 1930 zijn openluchtspel ‘Het kind van Voorne’ opgevoerd. Been was toen al ernstig ziek; in hetzelfde jaar overleed hij en hij werd op tweede kerstdag begraven. Voor meer informatie over Johan H. Been kun je kijken op: www.johanbeen.nl